MENU

Oriëntatie in de bergen

Het is belangrijk om in de bergen goed te weten waar je bent en waar je naartoe wilt. Middelen en manieren om je te oriënteren in de bergen.

Oriëntatie

‘Waar ben ik?’ En: ‘Hoe moet ik verder? Wie deze twee vragen onderweg op elk gewenst moment kan beantwoorden, kan zich goed oriënteren. Ook op gemarkeerde paden is het belangrijk om je goed te kunnen oriënteren. Bijvoorbeeld wanneer je bij slecht weer onverhoopt van het pad bent afgeraakt. Kun jij dan met een kompas bepalen waar je bent en hoe je verder moet? Neem altijd een topografische kaart en een kompas mee, eventueel aangevuld met hoogtemeter en (telefoon met) gps en zorg dat je weet hoe ze werken.

Kaart en kaartlezen

Van de oriëntatiemiddelen is de kaart het belangrijkst. Bergsporters hebben topografische kaarten of daarvan afgeleide wandelkaarten nodig met een schaal van 1:25.000 of 1:50.000. Goed kunnen kaartlezen betekent dat je het kaartbeeld kunt vertalen naar hoe het terrein er in werkelijkheid uitziet en omgekeerd. Hiervoor moet je iets weten over schaal, coördinaten, legenda, hoogtelijnen en reliëf. Raadpleeg de kaart regelmatig en ‘richt’ hem aan de hand van wat je in het landschap ziet als je nog niet goed genoeg kunt kaartlezen. Of peil met het kompas waar het noorden is en leg de bovenkant van de kaart in die richting, dan komt het kaartbeeld overeen met het terrein. Door onderweg telkens kaart en terrein te vergelijken, kun je weten waar je bent en is het eenvoudiger om de juiste route te volgen.

Kaartschaal

Kaartschaal 1:25.000, de ideale schaal voor bergsporters, geeft het meeste detail en de meeste info. Eén centimeter op de kaart is 25.000 centimeter (250 m) in het terrein. Oftewel: 1 kilometer = 4 centimeter op de kaart. Wie vooral goed gemarkeerde paden volgt, kan volstaan met 1:50.000-kaarten, die weliswaar minder details bevatten maar een groter gebied beslaan. Kaarten met een schaal van 1:100.000 of meer zijn slechts geschikt als overzichtskaart, maar ongeschikt om een tocht op te lopen.

Coördinaten

De bovenkant van een topografische kaart wijst altijd naar het noorden. Op de meeste moderne kaarten is een kilometerraster ingetekend, doorgaans een UTM-grid, een coördinatenstelsel gebaseerd op een kilometerindeling. Het kilometerraster vormt hokken van 1x1 kilometer, handig voor een snelle inschatting van afstanden. Sommige kaarten bevatten tevens een geografisch coördinatenstelsel. Bij gebruik van een gps moet je het grid van de kaart in het apparaat invoeren om je precieze positie te bepalen.

Van de oriëntatiemiddelen is de kaart het belangrijkst. Bergsporters hebben topografische kaarten of daarvan afgeleide wandelkaarten nodig met een schaal van 1:25.000 of 1:50.000.

Legenda

In de legenda worden de cartografische tekens, kleuren en symbolen verklaard. De legenda staat meestal op de kaart of wordt als bijlage geleverd (o.a. bij de Zwitserse topokaarten). Het is nuttig om de legenda door te nemen, zodat je weet hoe de landschapskenmerken worden weergegeven. Denk aan rivieren, rotsen, geulen, bossen, huizen en ruïnes. Let op het jaartal dat aangeeft wanneer de kaart is bijgewerkt, want op oude kaarten wijkt de stand van sneeuwvelden en gletsjers vaak af van de actuele situatie.

Hoogtelijnen en reliëf

Om op een platte kaart het reliëf en de hoogte te kunnen weergeven, worden hoogtelijnen ingetekend en schaduwen toegevoegd om een driedimensionaal effect te creëren. Herkenbare punten zoals pasovergangen en bergtoppen krijgen een hoogteaanduiding. Hoogtelijnen verbinden punten met dezelfde hoogte, ze staan op de kaart als doorgaande lijnen. Het verloop van de hoogtelijnen schetst de aard van het terrein, waardoor je kammen, geulen, plateaus en steile wanden kunt herkennen. De afstand tussen de hoogtelijnen bepaalt de steilte van het terrein: hoe dichter ze bij elkaar staan, hoe steiler het is. Als je regelmatig mét kaart de bergen intrekt, leer je de steilte in te schatten. Op Zwitserse en Oostenrijkse kaarten is de afstand meestal 20 meter (staat in de legenda of op de kaartrand), maar het kan ook 50 meter zijn. In dit laatste geval zijn hoogteverschillen van minder dan 50 meter niet weergegeven, wat de oriëntatie lastig kan maken. Elke vijfde hoogtelijn (100-m lijn) is iets dikker gedrukt en heeft een hoogtegetal. De onderzijde van dit getal wijst altijd naar het dal, zodat je weet wat onder en boven is. Met een gradenboog of een hellingmeter kun je de steilte van het terrein meten.

Kompas

Met een kompas bepaal je waar het noorden is. De kompasnaald is een magneet die naar het magnetische noorden wijst. Rond de naald zit een ring (kompasroos), die gedraaid kan worden en waarop de richtingen zijn weergegeven in een cirkel van 360 graden (noord = 0/360°; oost = 90°; zuid = 180°; west = 270°). Voor bergsporters zijn twee soorten kompassen geschikt: een spiegel- en een plaatkompas. Het spiegelkompas heeft een opklapbaar spiegeltje en een vizier waarmee je nauwkeurig kunt peilen. Bij het plaat- of liniaalkompas zit het kompas op een doorzichtige plaat, zodat je het op de kaart kunt leggen om koersen uit te zetten. Een eenvoudig en goedkoop plaatkompas voldoet in de Alpen prima.

Geografische en magnetische noorden

Een kompas geeft het magnetische noorden aan. Dat kan wel een stuk afwijken van het geografische of ‘ware’ noorden, afhankelijk van je positie op aarde. Het verschil hiertussen heet declinatie. De declinatie staat doorgaans op de topokaart en moet bij de kompaskoers worden opgeteld of afgetrokken, maar in de Alpen is de declinatie verwaarloosbaar klein. De declinatie verandert jaarlijks, gebruik daarom in gebieden met een grote declinatie een zo recent mogelijke kaart. Om de finesses van kaart en kompas te leren, zijn een goed instructieboek en/of een praktijkcursus onontbeerlijk, evenals veel praktijkervaring in de bergen. Belangrijk: houd het kompas bij het peilen en aflezen altijd zo dat de N van de windroos bij de kompasnaald staat. Bij het gebruik op de kaart, als je een tocht uitstippelt, heb je daarentegen niets met de kompasnaald te maken en zorg je altijd dat de N van de windroos naar de bovenkant (het noorden) van de kaart wijst.

Lopen op kompaskoers

Met het kompas kun je vanaf een bekend punt een bepaalde kompaskoers lopen, die je hebt verkregen uit een routebeschrijving of uit een van tevoren opgesteld routeschema.

Looprichting bepalen

Met het kompas kun je op de kaart de richting bepalen tussen twee bekende punten. Bijvoorbeeld: je wilt vanaf een bergpas naar een hut, die door dichte mist niet te zien is. Je bepaalt met het kompas op de kaart de richting, en volgt de gevonden koers naar de hut.

Peilen en plaatsbepaling

Vanaf een bekend punt kun je met het kompas een onbekende bergtop peilen. Je kunt die koers overbrengen op de kaart en zo aflezen welke top het is. Andersom kun je ook aan de hand van een of twee bekende punten in het terrein bepalen waar je bent. Dit wordt positiebepaling door kruispeiling genoemd.

Hoogtemeter

Een hoogtemeter is een goede aanvulling op kaart en kompas, vooral bij slecht weer. Een hoogtemeter meet in feite de luchtdruk, die niet alleen door de hoogte maar ook door de temperatuur en het weer wordt bepaald. Een goede hoogtemeter is temperatuurgecorrigeerd. Maar door wijzigingen in de luchtdruk ten gevolge van het weer moet je hem onderweg regelmatig ijken. Een hoogtemeter is ook heel handig als barometer te gebruiken. Wanneer je na een nacht in de hut 150 meter bent ‘gestegen’, betekent dit dat de luchtdruk flink is gedaald. Een daling van de luchtdruk kondigt meestal een weersverslechtering aan. Let op: er zijn hoogtemeters op een gps die alléén bij goede satellietontvangst werken.

GPS

Het global positioning system (gps) is een navigatiesysteem dat met behulp van satellieten exact kan aangeven waar je bent. Een gps is een nuttige aanvulling op kaart en kompas. Bij eenvoudig gebruik van een gps zie je waar je bent, kun je de plaats overbrengen op de kaart, en maakt de gps de gewandelde route als ‘kruimelspoor’ (track) zichtbaar. In geval van nood kun je de route terug volgen. Ook kun je vrij eenvoudig de coördinaten van een hut invoeren, zodat je deze bij slecht weer makkelijk kunt vinden. Ingewikkelder wordt het om de gps te gebruiken bij het voorbereiden van routes en het volgen van routes in het terrein. Je dient je dan eerst grondig te verdiepen in zaken als kaartdatum, coördinatenstelsel, digitale kaart, tracks en routes. Sommige gps-en kunnen geladen worden met topografische kaarten en zijn daarmee bijzonder geschikt voor de bergsport. Er kleven enkele nadelen aan het gebruik van een gps in de bergen:

  • Omringende hoge bergen kunnen de ontvangst van satellieten belemmeren.
  • Je bent afhankelijk van batterijen.
  • Een gps kan een schijnveiligheid geven: de gps geeft weliswaar perfect koers en afstand naar het volgende waypoint of de hut aan, maar vertelt niet of er onderweg een diepe kloof of een niet passeerbare bergbeek is. Daarom heb je weinig aan alleen een gps en is de combi met een kaart essentieel.

Tochtenwiki

Ook met de Tochtenwiki-app kun je goed bepalen waar je bent en waar je heen moet. Via een GPS-signaal wordt je positie aangegeven op een kaartje op je telefoon, waar je dan wel weer internet voor nodig hebt. Als enige oriëntatietool is dit niet aan te raden vanwege de batterijduur van je telefoon en matig internetbereik. Toch kan de app een waardevolle toevoeging zijn bij je oriëntatie en tochtenplanning.

tochtenwiki