Tekst en beeld Lotte van der Velde en Lisa Kluis | Leestijd: 9 minuten
We gaan maar door en door. Zijn we overmoedig? De top van de Aiguille du Moine is nog lang niet in zicht. Onze eerste kennismaking met de granieten wanden rondom Chamonix is intens. De uitzichten zijn nog mooier dan we dachten. En het klimmen is nog zwaarder dan we dachten. Ons uithoudingsvermogen wordt op de proef gesteld.
Tekst en beeld Lotte van der Velde en Lisa Kluis | Leestijd: 9 minuten
Deze zomer zijn Lisa en ik voor het eerst in Chamonix. Vijf jaar alpineren we al, maar er was altijd een reden om het ‘Europese klimwalhalla’ te vermijden. Te toeristisch. Te veel liftjes. Te duur. Of we hadden gewoon betere plannen. Maar dit jaar is het zo ver. We willen toch zelf ervaren waarom iedereen zo enthousiast is over het graniet en de uitzichten in het Mont Blancmassief.
Chamonix laat ons snel zijn ware aard zien: pittig klimmen, geweldige rots, zoals verwacht heel toeristisch en wow, wat een toppen. Overal lijnen. Overal mogelijkheden. Wat een speeltuin! Maar wel eentje die je gelijk laat voelen wie de
baas is.
Na een paar weken inklimmen, acclimatiseren en het gebied leren kennen, kiezen we ons eerste serieuze project uit: de Aiguille du Moine, via de Arête S Intégrale. Niveau D+ volgens de topo. Zes tot zeven uur klimmen. Oké, dat is best te doen! Maar dat blijkt optimistisch.
We pakken de Train du Montenvers omhoog, maar besluiten om de lift daarna – naar beneden – over te slaan. We nemen de via ferrata om de aanloop nog iets meer alpiene flair te geven. Je moet toch een beetje compenseren als je in een trein de berg op wordt gereden… Daarna is het de gletsjer Mer de Glace oversteken en dan nog een stukje omhoog. Easy peasy. Nou, niet helemaal dus. De rugzakken voelen weer eens te zwaar, zeker nu we na een aantal weken alpineren iets zijn afgevallen. En de weg omhoog is geëxponeerder dan wij verwachtten: ladders! Achteraf gezien was dat het eerste teken dat deze tocht niet voor iedereen is weggelegd. Als je dit al spannend vindt, moet je zeker niet doorgaan.
De Refuge du Couvercle is prachtig. We zien de Grandes Jorasses voor het eerst. Wat een wand! De huttenwaard vertelt ons over de tocht die wij hebben uitgekozen. We krijgen te horen dat de meeste mensen al rond vier uur ’s morgens opstaan en om vijf uur vertrekken. Twaalf uur onderweg zijn is best normaal. Dat is wel even wat anders dan onze topo zegt… We lezen online meer over de route en inderdaad: deze tocht moeten we echt niet onderschatten. Lisa en ik hebben beraad. Gaan we dit wel doen? We kijken elkaar aan en weten: ja, dit kunnen en willen we. Misschien juist omdat dit niet de tocht is die we dachten dat het was.
Om vier uur ’s morgens regent het. We wachten, twijfelen. En vertrekken uiteindelijk om half zes, in het schemerlicht en zonder regen. Een uur later staan we onderaan de route. De eerste touwlengte, een 4b, voelt gelijk veel moeilijker dan verwacht. Nog nat gesteente, koude vingers, mist die blijft hangen. We voelen enige haast. Als dit ons tempo is, hoe gaan we dan die 29 lengtes klimmen?
De tweede touwlengte gaat al iets beter. Maar lengte drie gaat weer stroef. Het is lastig de route te vinden en ik vind
het best pittig klimmen. Ik merk dat ik ons ophoud. Ik voel me onzeker en twijfel of ik dit wel kan. Twee touwteams halen ons in. Even voelen wij ons enorme beginners. Hoe gaan zij toch zo veel sneller? We doen verreweg het meeste aan een lopende zekering. Zo langzaam zijn wij toch ook weer niet? We proberen ons tempo nog meer op te schroeven. Klimmen. Cam plaatsen. Doorklimmen tot de cams op zijn. Standplaats maken. Wisselen. En opnieuw! We klimmen als een geoliede machine, volledig ingespeeld op elkaars behoeftes. We hebben geen woorden nodig, alleen beweging. Geen pauzes. Alleen af en toe een reepje tijdens het zekeren. We zijn dan misschien niet de sterksten, maar hebben wel uithoudingsvermogen.
Er zijn een paar onderbrekingen. Soms slaan we een verkeerde route in. Eén keer zit een cam vast, een andere keer een slinge, en ik word ook nog midden op de graat ongesteld. Tja, daar heb je als vrouw ook mee te dealen in de bergen.
Na wat als een eeuwigheid voelt, komen we aan bij het makkelijkere middenstuk van de graat. Het is inmiddels warm en het omhoog scramblen kost ons veel moeite. Daarna gaan we weer verder met klimmen. In een oneindige trance van route zoeken, kiezen tussen een lopende zekering of de hele lengte uitzekeren, klimmen, naklimmen.
We beginnen aan elkaar te merken dat we echt moe worden. We worden kortaf, er worden minder foto’s gemaakt van de schitterende uitzichten en er wordt toch net iets meer gediscussieerd over waar we omhoog zullen gaan. Als we nu namelijk verkeerd gaan… De een geeft aan kapot te zijn, de ander houdt de moed erin. Nog geen half uur later zijn de rollen omgedraaid. Zo gaat dat bij ons. Als de één wat zwak is, probeert de ander de sterkere te zijn. Zo slepen we elkaar erdoorheen.
De drie moeilijkste touwlengtes zitten op het einde. We weten dat we nu onze kracht kunnen laten zien: doorgaan als je moe bent. Dus dat doen we. Wederom gaat het stroef: we zijn vaak aangewezen op artificieel klimmen, verliezen meerdere slinges en komen bijna vast te zitten in de smalste schoorsteen ooit (hoe doen grote mensen dit?) Maar we komen boven.
Eindelijk staan we op de top. Veel te laat in de middag. We zitten even stil. Onze enige echte pauze van de dag. Op de top is het genieten. Om ons heen zien we alleen maar bergen. Scherpe lijnen, diepe dalen. Het is prachtig!
Maar het gevaarlijkste gedeelte moet nog komen. De afdaling. We weten dat die lastig kan zijn. De topo zei: ‘naar beneden is niet makkelijk, zelfs niet voor ervaren klimmers.’ Dat zegt genoeg. Daarbij hebben we nog maar een paar uurtjes daglicht om beneden te komen. In het donker de route terugvinden zien we niet als een optie. De enige andere optie is bivakkeren.
De machine begint weer te draaien. Steeds moeten we stukjes afklimmen. Ik ben moe en merk dat ik het mentaal moeilijk vind om spannende stukjes naar beneden te klimmen. We kiezen er daarom voor om vaker te abseilen en dat kost tijd. Maar we hebben een ritme: Lisa maakt de abseil, gaat als eerste naar beneden en gaat daar op zoek naar de volgende abseil. Ik ga als tweede, rol vliegensvlug het touw op en ren achter Lisa aan. De machine is weer op stoom. Op naar de volgende abseil. De zon zakt steeds lager en dat geeft ons des te meer energie om nog sneller te gaan. Snel maar gecontroleerd. Alsjeblieft geen nachtje op de berg!
Vlak voor het einde verdwijnt het licht. We zoeken nog naar de laatste abseil. Die is op een platform met een gedenkteken, hebben we gehoord. Maar waar? Zoeken met de koplampen op gaat een stuk lastiger. Na wat verwarring vinden we twee haken. Is dit de juiste plek om te gaan abseilen? We zijn nog zo hoog boven de gletsjer. Wat als we nu fout zitten? We gokken het erop en gelukkig zijn er halverwege de wand nog twee abseilhaken. Vanaf hier gaan we de gletsjer halen. Wow, we gaan het halen! De opluchting is groot. Met ons laatste beetje energie doen we die laatste abseil en lopen we terug naar de hut. Om elf uur ’s avonds komen we daar aan.
We voelen ons verslagen en uitgeput. Verslagen door de lastige klimroutes boven Chamonix (want hoe kan de topo hier zes tot zeven uur voor rekenen?) en uitgeput van de megalange dag. Zelfs voor eten maken hebben we geen energie meer. Een knappe jongen met blonde krullen die in de hut werkt ziet dat en zet een warme maaltijd voor ons neer. Is het een engel? Tot op de dag van vandaag weten we dat nog steeds niet.
De volgende ochtend voelt vreemd. We hebben het gehaald, maar het voelt niet als een triomf. We waren langzaam. Het was zwaar. En hoe waren anderen zo veel sneller? We sjokken terug naar de bewoonde wereld. We praten tot in detail over gisteren, zoals we dat altijd doen. Elke touwlengte bespreken we, de keuzes die we hebben gemaakt. We analyseren waarom het ons zoveel tijd heeft gekost. Maar we complimenteren elkaar ook. We voelden allebei dat we als een team functioneerden. En sneller dan dit zijn we eigenlijk nog nooit geweest. Misschien moeten we wel iets tevredener zijn.
In Chamonix gaan we naar de eerste de beste burgerbar. Een traditie die we hebben overgehouden aan samen klimmen in Peru. De man van de burgerbar vraagt wat we geklommen hebben en wij zeggen: ‘de Aiguille du Moine’. ‘Ah, de normaalroute?’ vraagt hij. ‘Nee, de Intégrale.’ Hij begint voor ons te applaudisseren. ‘Goed gedaan’, zegt hij met een grote glimlach. Daarna overkomt ons zoiets nog twee keer.
Misschien hebben we het verkeerd bekeken. We zijn niet de snelste en niet de sterkste klimmers, maar we zijn wel doorgegaan. Ondanks de twijfel. Ondanks de vermoeidheid. We hebben de juiste keuzes gemaakt. Het was een emotionele achtbaan, maar het was ook prachtig. En het beste: we hebben het samen mogen beleven. Chamonix, dankjewel voor deze warme introductie. Het had eigenlijk niet beter gekund.