MENU

De volgende ochtend klimmen de vier mannen verder door ijsvelden in de noordflank van de berg. Ze verlaten de wand op driekwart van de hoogte en klimmen behoedzaam verder over smalle sneeuwgraatjes en ingesneeuwde rotspassages richting de topgraat. Het is elf uur en het weer lijkt te verslechteren. De mist maakt het lastig in te schatten hoe ver de top nog is. Ze gaan door.

Jan Piet schrijft:
“Ondertussen rijgen de dertien touwlengten die de topgraat lang is, zich steeds lustelozer aaneen op weg naar een onzichtbare top die steeds verder in de mist schijnt te verdwijnen. Als bij een steile rand de sneeuw onder mijn voeten wegglijdt en ik nog net op de uiterste punten van mijn stijgijzers kom te staan, beleef ik een benauwd moment. Pas vijfendertig meter terug word ik gezekerd door Herman, in dezelfde verraderlijke sneeuw, aan dezelfde kant van de wand die juist hier steil de diepte in schiet.”

“Voorzichtig plant ik de pickel zo hoog mogelijk in de sneeuw boven mij. De sneeuw houdt het, gelukkig, en opgelucht sta ik een moment later op de rand. […] Uitgeblust laat ik [Herman] voorgaan, hij moet maar zien of hij op deze schimmige graat nog een top kan ontdekken.”